Zum Inhalt | Zur Hauptnavigation |

Honderd Jaar Deutscher Werkbund

Met haar honderd jaar bestaan beslaat de Werkbund nagenoeg de hele twintigste eeuw. Daar komt bij, wat de grondleggers aan ervaringen binnenbrachten.

Geschiedenis? – Laten we preciezer zijn: ervaringen. Want dat is een correctie op het onbegrip, dat de tijdsgeest tegenover het begrip geschiedenis heeft: dat geschiedenis vervallen en gedaan is.
Bij de Werkbund kan men opmaken, hoe de tijden zich constant in snelle verandering bevinden. De lange geschiedenis van de Werkbund is dramatisch. Bijna om de vijf jaar veranderen de maatschappelijke verhoudingen diepgaand. Van de ene maatschappelijke crisis naar de volgende – men kan zich nog zo zeer verbazen, hoeveel productief utopisch potentieel de Werkbund daar tegenover stelt – tot de dag vandaag.
Julius Posener (1976): “De geschiedenis van de Werkbund is de grote straat, waarop de architectuur voorwaarts ging”. Op dezelfde manier was de Werkbund betrokken bij de geschiedenis van de design.
Uit dit ervaringspotentieel zou men kunnen putten – voor verdere werkzaamheden. Honderd jaar permanente uitdaging – tot de dag van vandaag. De Werkbund gaf een grote hoeveelheid aan constructieve antwoorden – meestal tegen mode en tijdsgeest in.

In de Werkbund kwam de avant-garde bij elkaar. Geen andere vereniging kan putten uit een zo groot interdisciplinair spectrum: eerst kunstnijverheid, dan industrieel gemaakte objecten, alle beeldende kunsten, ruimtekunst en woningbehoefte, architectuur, stedenbouw, landschapsplanning, foto en film, monumentenzorg, boekwezen, pedagogiek, publicistiek. Werkzaamheden in processen, onder andere vanaf 1968 in veel actiegroepen.

De drijfveer van deze 100 jaar was het experiment. Betrokken op mensen en op de ontwikkelingen van hun alledaags bestaan. Dat is cultuur. In 1907 noemde men dit ‘veredeling’.
De geschiedenis van de Werkbund kan gezien worden als een continue ontdekking. Aan de overkant van de wijdverspreide en vaak gepubliceerde stereotypen over de Werkbund is er veel, dat diepgaander is, en laat zien, hoe brisant en veelvuldig deze 100 jaar geweest zijn en zijn.

Vóór 1907:
Industrialisering vergroot mogelijkheden: kranten, boeken, reizen. Veel nieuwe dingen verschijnen: materialen (massaproductie van ijzer), verwerkingsmethodes, constructies, bouwopdrachten, visies, samenstellingen (combinatoriek).

Er ontstaat een pluralistische eeuw. Vormgevers kunnen meer dan ooit teruggrijpen op verschillende tekentalen. De nieuwe overvloed wordt vaak op een onzinnige manier met elkaar gecombineerd. Daartegenover ontstaat kritische oppositie. Haar woordvoerder wordt de Werkbund.
Het industriële tijdperk ontwikkelt sterkste tegenstellingen: stilstand en voorwaarts streven. Zo ontstaan immense spanningen. Ze komen tot uiting: in vorming – zowel in processen als ook in materialisaties. En in heftige discussies.
Voorgangerimpuls voor de Werkbund: Arts and Crafts (Engeland, sinds 1988). Door Krupp in het Roergebied gebouwde fabriekssettlements. Infrastructuurhervormingen – als stadsontwikkelingen. Diversiteit van de levenshervormingsbeweging. In 1902 komt uit Engeland het idee van de tuinsteden. Hermann Muthesius: verbeterde functionaliteit van het burgerhuis. Muthesius bedrijft vanuit het Ministerie van Handel de hervorming van ambachtsscholen van de kunstnijverheidsopleidingen tot werkkunstscholen. Voorbeeldig: 1904 / 1907 de hervorming in Düsseldorf door Peter Behrens.
In Hagen onderneemt sinds 1901 de gefortuneerde bankerfgenaam Karl Ernst Osthaus met zijn vermogen een omvangrijk cultureel experiment: in de levenshervorming en in alle kunstdisciplines – een zeer belangrijke bijdrage tot het ontstaan van de Werkbund (“Hagener Impuls”).

1907 – 1914
Muthesius, Behrens, Osthaus, Schumacher, Van de Velde, Naumann, Theodor Fischer, Möhring zijn sleutelfiguren voor de oprichting van de Deutsche Werkbund in München.
De Werkbund brengt verschillende draden bij elkaar. Hij is en blijft pluralistisch. Een verzamelplaats voor maatschappelijke debatten. Hij versterkt, propageert, katalyseert en koppelt. Als bond is hij nagenoeg de uitvinder van het netwerken. Een sociocultureel kunstwerk.
Èèn gebeurtenis vormde een doorslaggevende wissel: Peter Behrens werd in 1907 chef-designer van de toekomstindustrie elektriciteit met vele producten. Daardoor ontstaat bij de oprichters van de Werkbund – in tegenstelling tot Arts and Crafts – optimisme: kunst en industrie kunnen samenwerken.
De liefde tot de industrie ontstaat niet vaak en wordt door de industrie tot vandaag de dag dikwijls teleurgesteld en steeds weer slaat ze om. Tweede wissel: Peter Behrens schept een nieuwe esthetiek: hij vormt uit materiaal, fenomeen en proces van de industrie. Dit is het begin van het ‘moderne design’.
De Werkbund beschikt over het optimisme, onze gehele omgeving met levenskwaliteiten vorm te geven. De oriëntatie: functionaliteit en schoonheid.
In het stichtingsjaar 1907 neemt Harry van de Velde de leiding over van de Großherzoglich-sächsische Kunstgewerbeschule (kunstnijverheidsschool) in Weimar (in dit gebouw ontstaat in 1919 das Bauhaus). Vanuit hier komen belangrijke impulsen tot hervorming door Duitsland. Kunstnijverheid blijft een continu onderwerp van de Werkbund – tot in de jaren 60 van de Twintigste eeuw.
Het verzet tegen de uitputting van resources (Friedrich Naumann) staat aan het begin van het ecologiedebat. Schoonheid in het alledaagse leven: in objecten, ruimtes, steden. Wat er ook door de industrialisatie wordt geschapen, zou geen schrot moeten zijn, maar: ‘veredeling van de industriële arbeid in verband met kunst, industrie en ambacht’.
Daartoe hoort de verbetering van de arbeidsverhoudingen – inclusief de esthetiek van gebouwen en ruimtes. Veel Werkbundarchitecten bouwen fabrieken. Uitstekend: in 1910 de fabriek van Fagus in Alfeld en in 1914 de fabriek in de Keulse tentoonstelling, beiden ontworpen door Walter Gropius / Adolf Meyer.
Werkbund-gedachte: door vele tentoonstellingen en publicaties tot nieuwe duidingen van het tijdperk te komen. In 1909 sticht Karl Ernst Osthaus het “Deutsche Museum für Kunst in Handel und Gewerbe” – het eerste designmuseum van de wereld, gewijdt aan de toegepaste kunsten.
Georg Metzendorf presenteert sinds 1907 met de complexe Krupp-stad Margaretenhöhe in Essen de best doorgeplande stad van de eeuw – gebouwde sociaalwetenschap door stadsplanning en architectuur. Vanuit deze ervaringen sticht zijn medewerker Hannes Meyer later in het Bauhaus de theorie van de architectuursociologie. Tegelijkertijd ontstaat in 1907 in de buurt van Dresden rondom de Deutschen Werkstätten de “Werkbund-Stadt Hellerau” (Richard Riemerschmid, Heinrich Tessenow). Karl Ernst Osthaus probeert een complex stadsdeel te stichten. Hij helpt Van de Velde, Behrens, Gropius, Lauweriks, Bruno Taut en andere.
De Werkbund propageert veelomvattende vorming. Daarbij horen omvangrijke pogingen, het onderwijs te hervormen. En ook opleiding voor consumenten, om ze over kwaliteiten voor te lichten: in 1907/ 1914 door zogenaamde “Warenbücher”. In 1912 / 1920 verschijnen voorbeeldige, inhoudelijk rijke jaarboeken.
In 1913 wordt in Yverdon de Zwitserse Werkbund gesticht. Naar het voorbeeld van de Deutsche Werkbund ontstaat in 1915 in Engeland de ‘design association’.
Hoogtepunt van de vroege jaren van de Werkbund: de Werkbund expositie in 1914 in Keulen – de grootste van alle tentoonstellingen.
In deze ontwikkeling en midden tijdens de Keulse tentoonstellingen ontploft de oorlogsramp. Ze beëindigt het wereldwijd werkende visioen en uitstraling abrupt – net als verdere rampen later opnieuw (1929, 1933).

1915 tot 1923

Oorlog. 1918 einde van het ancienregime. Diepe depressie. Fundamentele irritatie. Radicale ideeën. Leden van de Werkbund werken mee in de novembergroep van de socialistisch georiënteerde Arbeitsrat für Kunst (Bruno Taut, Gropius, Behne, Bartning). Hevige discussies. Geschud door ramp, armoede, breuken: sterke invloed van het expressionisme, kubisme, constructivisme, Dada, futurisme. Questioning van de parameters.
De irritatie en verdeeldheid van de tijd komt tot uiting in het expressionisme, dat rond 1925 in de Werkbund voorheersend is. Maar: binnen deze is er in 1919 ook optimisme. Concreet: ontwerpen voor de armoede. Symbool daarvoor: het ontwerp van de “Kramer-kachel” (Ferdinand Kramer)
De verbeelding is aan de macht als nooit tevoren. Wat vanaf 1900 tot 1914 werd ontwikkeld, wordt nu geradicaliseerd en gezuiverd. Dit is de typische structuur van de twintiger jaren.
De nieuwe voorzitter Peter Poelzig zegt het contract tussen kunst en industrie op. Afzegging aan opportunisme, compromis en resignatie. De Werkbund zou geen economische, maar vitaal een radicale, geestelijke beweging zijn.
Het continue probleem van de Werkbund gaat door: hier artistieke en sociaal ontwerp – daar kapitaal en productie. Soms tegenover elkaar, soms met de poging tot een synthese. Pluralistisch. Met verschillende posities – in extreme spanwijdte.
Het grootste wat er ontstaat – hoogtepunt van de Werkbund: het Bauhaus. Zijn fundament legde Henry van de Velde, aan de draden trok Karl Ernst Osthaus, concept en realisatie – daarvoor zorgde Walter Gropius. Het Bauhaus is de belangrijkste experimenteer- en opleidingsplek van de eeuw – met wereldwijde uitwerking.
Der verandering van omstandigheden laat de drievoudige verdrijving van het Bauhaus zien: in 1924 uit Weimar, in 1932 uit Dessau, in 1933 uit Berlijn (zelfopheffing enkele maanden na de machtsgreep)
Succes van de Werkbund: de introductie van de Reichskunstwart (Edwin Redslob).

De Werkbund investeert, net als in de vooroorlogse periode, nog steeds veelvuldig in de hervorming van de opleiding, vooral van de ambachtsscholen. Actief in de Werkbund is de betekenisvolle schoolhervormer Rudolf Kerschensteiner.
In 1921 laat Bruno Taut in zijn functie als wethouder van wonen (Stadtbaurat) van Maagdenburg “bonte [kleurrijke] nederzettingen bouwen”. Kleur brengt gevoelens tot uiting. Er ontstaan grote stadskwartieren, die met deze kleuren mensen ‘in stemming brengen’. Het ‘nieuwe tijdperk’ komt eveneens symbolisch tot uiting door de nieuwe zetel – mogelijk gemaakt door het gebruik van nieuwe materialen. Het laat tot nu toe onbekende mogelijkheden zien – het zweven en het uitsteken [Gustav Hassenpflug].
De bezetting van het Roergebied in 1923 leidt tot inflatie. Vooral de middenstaanders verliezen hun gehele geldvermogens. Opnieuw een ramp – en verarming.

1924 tot 1930
Vijf jaar lang conjunctuur. US-kapitaal [Dow Jones-plan] leidt tot vier jaar conjunctuur. Inhaalslag, om aansluiting te zoeken aan wereldeconomie. De huisrente-belasting maakt
omvangrijke woningbouw mogelijk – ook door veel leden van de Werkbund. Nu vind interessante vormgeving, die in de Werkbund tot ontwikkeling kwam, grootschalige verspreiding. Nooit tevoren in de 20e eeuw is het gehele culturele niveau van de woningbouw zo hoog als in deze paar jaar.

Het hoofdkantoor van de Werkbund heeft van 1907 tot 1933 steeds een goed management: efficiënt, oplettend, flexibel, dynamisch, rijk aan ideeën. Èèn van zijn belangrijkste medewerkers is Theodor Heuß (in 1949 de eerste Duitse Bondspresident).
De Werkbund presenteert zich nog steeds vooral door tentoonstellingen en publicaties, het meest efficiënt door nederzettingen, die meteen ook tentoonstellingen zijn.

Een keten van Werkbund-nederzettingen komt tot stand: als voorbeelden. In 1927 Weißenhofsiedlung in Stuttgart. In 1928 Novy Dum in Brünn. In 1929 “Wohnung und Werkraum” in Breslau. In 1929 Dammerstock Karlsruhe. In 1930 Stockholm. In 1930 Basel. In 1931/32 Zürich-Neubühl. In 1931/1932 Wenen. In 1932 Baba Praag.
In 1924 de reizende tentoonstelling “Die Form ohne Ornament”, eerst in Stuttgart. In 1929 de tentoonstelling “Film und Foto” in Stuttgart. In 1931 “Die Wohnung unserer Zeit” in Berlijn.

Werbund-lieden bouwen in veel steden nederzettingen [Celle, Duisburg, Essen, Buer, Hagen, Keulen, Frankfurt, Dortmund, Berlijn]. Ze zijn zowel stedenbouwkundig als esthetisch uitstekend. Met hen verbind zich een nieuwe eenvoudigheid in de inrichting van huizen.
Industriecultuur in het Roergebied: vooral van Alfred Fischer en Fritz Schupp. Hoogtepunt: Zollverein [1928 van Schupp / Kremmer] in Essen. Een van de posities in de pluralistische Werkbund wordt ingenomen door de “andere moderne”.
In 1929 participatie in de Wereldtentoonstelling te Barcelona. Artistieke leiding: Lilly Reich. Ludwig Mies van der Rohe ontwerpt het Duitse paviljoen. In 1930 lokt de presentatie van de Werkbund, verzorgd door Walter Gropius, hevige discussies uit in de “20e Salon des Artistes decorateurs francais” in de Grand Paleis in Parijs. In 1931 bijdrage van de Werkbund aan de Deutsche Bauausstellung te Berlijn.

1930 tot 1934

Wereldeconomische Crisis. Opnieuw Depressie. De ramp veroorzaakt opnieuw verarming in staat en maatschappij. Overal wordt de vormgeving eenvoudiger, vaak eentonig en saai. De eenvoudigheid wordt ambivalent. Ze wordt reductionistisch.
Ernst Jäcks gigantisch ontwerp voor de grootste van alle tentoonstellingen “Die Neue Zeit”, Keulen in 1932 mislukt, omdat het Reich, dat de tentoonstelling financiert, geen geld meer heeft. Nazi’s meppen zich tot de macht. Afschuwelijke val. Voor de tweede keer wordt het Bauhaus gesloten, in Berlijn voor de derde keer.
Pogingen, om te kijken of het onder de NS-staat door kan gaan, lopen snel op een mislukking uit. In 1934 het einde voor de Werkbund. Veel leden emigreren.


1947 tot 1960
De gedachte van de Werkbund ontstaat opnieuw. Ook de idee van het Bauhaus. In 1947 word de eerst Dag van de Werkbund georganiseerd: in kasteel Rheydt [Mönchengladbach]. Heroprichting van de Werkbund. Initiator: Hans Schwippert. Parallel met de herstructurering van de Bondsrepubliek krijgt de Werkbund eveneens een federalistische structuur: met landsbonden en een dakorganisatie [1950], zetelend in Düsseldorp.
In 1949 heeft in Keulen de eerste naoorlogse tentoonstelling plaats – met de titel: “neues wohnen und deutsche architektur seit 1945”. In 1949 bouwt Hans Schwippert het gebouw van de Bondsdag in Bonn – het eerste “moderne” parlementsgebouw”. Tijdens de wederopbouw borduurt de Werkbund voort op het beste van de jaren twintig. In een arme tijd ontstaat opnieuw het optimisme van het vertrek en van een utopische geest.

De opdracht: de wederopbouw vorm geven. Wederom formuleert de Werkbund de ambitie: we hebben de “Gute Form” nodig. Dit fascineert in sommige bereiken en scoort daar ook succes. Het meest in de Rijnlandse kerkbouw, die twee decennia lang haar beste tijd kent – in de zogenaamde “andere Moderne” met haar exponent Rudolf Schwarz. En: in openbare gebouwen. Succes hebben de gedachten van de Werkbund vooral in de vormgeving van objecten: kleding, meubelen en toestellen.
Maar de Werkbund wordt niet geabsorbeerd door de zich nu uitbreidende bouwactiviteiten in de steden. Daar overheerst een armoede-ideologie – afkomstig uit het minimalistische denken van de militairs en de traumatisering door de oorlog: “Een dak boven het hoofd” en “Muur met gaten”.
In 1957 wordt het Hansa-Viertel in Berlijn opnieuw gebouwd: als “Interbau” – bijna een hele stad. Hiervoor krijgen de belangrijkste architecten uit de hele wereld opdrachten. In 1952 Werkbund-Zeitschrift “Werk und Zeit”. In 1952 ontstaan in het kader van het “Darmstädter Gespräch” kritische discussies rond “Mensch und Technik in Erzeugnis, Form und Gebrauch”.

Van 1953 tot 1968 werkt het “neue bauhaus” in Ulm [Max Bill].
Het design, dat zich vooral in de Werkbund en daarin vooral in het Bauhaus ontwikkelde en zich nu met nieuwe opdrachten ontvouwt, wordt een wereldwijd succes. Zoals tijdens het begin van de Werkbund is de vormgeving van het object afgeleid uit de architectuur.

In 1953 slaagt men erin, de “Rat für Formgebung” af te schaffen – als onafhankelijke instelling van de Bondsrepubliek en door haar gefinancierd. In 1954 ontstaat het “Haus der Industrieform” in Essen.
Karakteristieken van het veelvuldige design zijn: licht, elegant, ruimtelijk, spaarzaam, transparant. Presenteren in plaats van representeren. Semantiek en logica. Antropologische waarden, sensualiteit / duidelijkheid. Materiaalgebruik in de zin van de zaak. Nieuwe technologie. Enscenering. Detailprecisie. Design, voor alledaagse verspreiding, geschapen bereikt overal de massa’s.
Werkbund is een houding. Het belangrijkste trefwoord luidt: kwaliteit. Men denkt met een moraal na over dingen en ruimtes en maakten anderen van deze moraal deelgenoot.
Denk- en vormgevingswijzen van de Werkbund en Bauhaus verspreiden zich in design en architectuur in vele landen, vooral dankzij actieve emigranten. “Niet elk succes zal ook het label Werkbund moeten dragen. De zaak is belangrijker dan het etiket [Walter Rossow].
De Deutsche Werkbund geeft in het buitenland het beeld van een ander Duitsland. Hij levert de concepten van de Duitse paviljoens in twee Wereldtentoonstellingen: in 1957 in Brussel en in 1966 in Montreal. Zonder pronk, bescheiden, eenvoudigheid met intelligentie, vernuft met fantasie, in de traditie van het optimisme, onze omgeving voorzien van levenskwaliteit en schoonheid.
De Werkbund hoort bij diegene die waarschuwen voor een ongeremde bebouwing van het landschap en een doelloze industrialisatie [1959 Marl]. Roep naar conservatie en duurzaamheid van de resources.
1961 tot 1967
Een aantal jaren zijn gemarkeerd door de grootste rijkdom van de naoorlogse periode. Dit leidt meestal tot een soort ‘barokisering’ in de omgang met objecten en vooral met gebouwen.
De Werkbund draagt hier nauwelijks iets bij – meestal zwijgt hij. In deze tijd verliest hij veel aan invloed. Toch zijn er een aantal geslaagde vormgevingen. Een geslaagd voor een zowel stedenbouwkundig als ook architectonisch uitstekend stadkwartier is het Eschfeld in Düren (1971) van Wolfgang Meisenheimer.
Sinds 1964 waarschuwt de Werkbund voor een designideologie, die niet maatschappijpolitiek georiënteerd is [Adolf Arndt, Theodor W. Adorno]
De binnenste tegenstellingen van de samenleving bleven enige tijd onder de deken van de rijkdom verborgen – en komen dan in 1968 tot eruptie.
Te weinig waargenomen, maar van grote betekenis: het feit, dat dan in de Werkbund veel nieuwe onderwerpen opdoeken.

1968 tot 1980

De voorbereiding tot de Olympische Spelen in München in 1972 wordt gebruikt: voor de modernisering van de stedelijke infrastructuur. Daarbij werkt het nieuwe stedelijke ontwikkelingsbureau in 1968/ 1972, een staf rond Hubert Abreß met daarin Karl Ganser: men ontwikkelt een nieuwe kwaliteit van stadsplanning. In het conflict rond de Altstadt-Ring en de bedreiging van de historische woonwijk Lehel ontstaat voor de eerste keer medezeggenschap.
Later wordt dit opgenomen in de bouwwetgeving.
De Olympische Spelen worden vorm gegeven. Vormgeving adviesraad: Werner Wirsing, Otl Aicher en andere. Werner Ruhnau ontwikkelt samen met kunstenaars een bewust en officieel gewild contrast tot de Olympiade: de “Speelstraat”.
1968 vertrek tot de burgermaatschappij.
De jaren zeventig vormen het creatieve decennium van de eeuw. Van 1972 tot 1984 leidt Michael Andritzky als secretaris generaal de dakorganisatie. Zijn zetel op de Mathildenhöhe in Darmstadt is een fascinerende denk- en activiteitenwerkplaats. Andritzky haalt de jonge generatie binnen. Dieter Beisel maakt “Werk und Zeit” tot een forum. Onder de indruk van de beweging van 1968 duiken nieuwe onderwerpen op: redding van oude binnensteden. Redding van industriecultuur en nederzettingen alsmede infrastructuur. Veelomvattende stedenbouwkundige monumentenzorg. Woonadvies. De Werkbund richt de “Wohnbund” op. Acties rond veel nieuwe pedagogiek betreffende wonen en stad. Dit wordt begeleidt door gefascineerd gemaakte boeken – soms gedeeltelijk met schaarse middelen geproduceerd. Voor de burgercomités worden netwerken met adviserende experts georganiseerd – met veel succes. Integratie van toegepaste kunst in de stadsruimte.
De creatievellingen werken met de geringste middelen: met transportable tentoonstellingen, flyers, affiches, boeken, diapresentaties, documentaires.
Sinds 1972 ontstaan in het Roergebied 50 burgercomités [geïnitieerd door Roland Günter / Janne Günter] ter redding van arbeidersbuurten. Ze kritiseren mediageniek het functionalisme van de bouwindustrie in stadsplanning en architectuur, vooral het bouwen van woontorens. Die kritiek ondermijnt de mythe van deze hoogbouw. Ze initieert een paradigmawisseling in de planning: in richting “Levenskwaliteit”. De Werkbund werkt nauw samen met de burgercomités, ook door het maken van publicaties.
In monumentenzorg veranderen Roland Günter, Helmut Bönninghausen en Hartwig Suhrbier na 1968 de maatstaven tot waardering en introduceren nieuwe criteria: ook voor historische plaatsen, verder voor industriecultuur. Uitbreiding tot vandaag de dag en in alle bouwgenres. Het monopolie van de kunstgeschiedenis valt. Andere wetenschappen worden geïnvolveerd.
Dit verrijkt monumentenzorg zowel kwantitatief als ook kwalitatief enorm. In 1972 wordt monumentenzorg als sociale bescherming voor omvangrijke gebieden geëist – in de jaren negentig als een dimensie van stadsontwikkeling.
In 1966 wordt door Werkbund-lieden de industriecultuur ontdekt. In 1969 komt de Möhringhalle in Dortmund op initiatief van Hans Peter Köllmann onder monumentenzorg. In 1972 wordt de eerste arbeidersbuurt beschermd: Eisenheim in Oberhausen. Helmut Bönninghausen redt als de meest succesvolle ambtenaar van monumentenzorg van zijn decennium veel industriecultuur in Westfalen. De gedachte van hergebruik wordt kansrijker [Heinrich Böll, Hans Krabel]
Helmut Bönninghausen ontwikkelt op het snijvlak van monumentenzorg en museum voor objecten die een bijzondere zorginspanning vereisen het idee van het decentrale industriemuseum [in 1978 Westfälisches Industriemuseum, in 1984 volgt het Rheinische Industriemuseum].
In 1971 actie van de Werkbund Bayern: “De toekomst van de Alpenregio”. In 1972 Werkbund Baden-Württemberg in samenwerking met Zwitserse Werkbund: “Grensval Rijn”.
Provocerende tentoonstellingen. In 1971 Josef Lehmbrock / Wend Fischer: “Profitopolis – der Mensch braucht eine andere Stadt” – op 140 plaatsen in alle continenten te zien geweest. In 1979 laten Lehmbrock / Fischer een twee tentoonstelling volgen: “Von Profitopolis zur Stadt der Menschen”. In 1975 organiseren Wend Fischer en Gustav Hartmann in het Designmuseum “Neue Sammlung” in München de Werkbund tentoonstelling: “Zwischen Kunst und Industrie”.
Lieden van de Werkbund ontdekken en propageren de blik voor dwarsverbanden in het wonen [Urbanes Wohnen; Peter Busmann, Erich Schneider-Weßling]. Ze kunnen hun voorstellen weliswaar slechts zelden in volle omvang realiseren, maar veel daarvan verspreidt zich. Successen zijn er ook met de verlevendiging van het groen in de stad onder ecologische gezichtspunten.
In Südbaden maken lieden van de Werkbund (Hans Güdemann en andere) invoelende saneringen van dorpen, ook met blik op het landschap. Lieden van de Werkbund, voornamelijk in Baden, waren de meeste betekenisvolle experimentatoren op het gebied van energie.

1980 tot 1990

In 1981 tijdens de jaarvergadering in Saarbrücken: een expositie over medezeggenschap van bewoners in de volkswoningbouw van Rotterdam [Andries van Wijngaarden].
Manifest “Steine aus Saarbrücken”.
1982 / 1984 Werkbund-nederzetting in Oberhausen
De jaren tachtig hebben twee heel verschillende gezichten. Welgeteld is er veel terugval in belangeloosheid. Vermoeidheid. Depressie. Armoede aan oriëntatie. Het gevoel, dat over je heen wordt gewalst. Moedeloosheid.
Tegelijkertijd zijn er lichttrajecten: de “era Zöbel” in de nordrhein-westfälische stedenbouw alsmede Hardt Walther Hämers IBA-Berlin.
In 1980 slagen de Roergebieds-initiatieven erin, dat de landsregering Nordrhein-Westfalen een Ministerie van Stedenbouw opzet. Minister Christoph Zöbel en zijn onderdirecteur Karl Ganser gaan alle projecten op de proef stellen. In 1981 “beleidwijziging” op vele gebieden [stadsplanning, verkeer, woningbouw, ecologie]. Dit maakt een einde aan de meeste van de gigantische verwoestingen in het land. Een decennium van uitstekende woningbouwpolitiek is het gevolg.
De consequentie van deze paradigmawisseling leidt in 1989 tot de stichting van de IBA Emscher Park, geleidt door Karl Ganser. Het gaat om de wereldwijd grootste maatregel van structuurontwikkeling.
In 1984 brengt Hardt-Walther Hämer op een zijtak van de Internationale Bauausstellung Berlin (IBA) en in oppositie tot de vrij gebruikelijke kaalslagsanering de “behutsame Stadtentwicklung” tot bloei. Ze ontstaat op basis van brede oppositionele burgergroepen tegen het bedrijfseconomische omgaan met de stad.

De jaren Negentig
Exposities: in 1992 “Oikos: von der Feuerstelle zur Mikrowelle”. In 1995 “baumstark, Holz-Wand-Kultur.” – Lieden van de Werkbund [Hans Güdemann en andere] initiëren in Freiburg nieuwe stadskwartieren met hoge levenskwaliteit: “Rieselfelder” en “Vauban” [1993 ff.] – De Solar-fabriek in Freiburg [1991] – Experimenteerhuis Heliotrop en solar-nederzetting am Schlierbeek in Freiburg [1998 van Rolf Disch] – Uitstekende woonbuurten in Südbaden. – Vitra-gebouwen en Vitra-museum in Weil am Rhein van Rolf Fehlbaum, die in 1977 de leiding op zich neemt.
De consequentie van de paradigmawisseling in NRW leidt in 1989 tot de stichting van de IBA Emscher Park: dit groeit uit tot de wereldwijd grootste en meest succesvolle maatregel van structuurontwikkeling – met 120 projecten, een organisatorische en conceptuele gepolijste prestatie, vooral van Karl Ganser.
Aan de hand van de IBA Emscher Park [1989 / 1999] kun je leren, hoe in een regio, waar de structuurverandering tot ingrijpende verwoestingen leidde, nadelen in een pré werden veranderd. Verandering krijgt een culturele stempel.
In 1907 en in 2007 wordt duidelijk, dat alle verandering een grote behoefte aan vormgeving voortbrengt. Dit is toekomst.

Sinds 2000

Walter Rossow [1961]: “Voor een democratische staatsvorm zou het een brevier van onvermogen zijn, wanneer men er niet in slaagde, voor nieuwe problemen ook nieuwe vormen te vinden”. Daarvoor biedt de Werkbund een forum. Steeds weer verschuiven de onderwerpen.

Critici van de Werkbund waren zelden in staat dit waar te nemen, in sommige persartikelen heerste ignorantie en de afwezigheid van empirisch onderzoek.

Wat gebeurt er in Nordrhein-Westfalen? De Werkbund ageert als een burgerinitiatief. Werken in een netwerk – een uitvinding van de Werkbund in 1907, weer opgenomen uit de ervaringen van burgercomités uit de jaren dertig.
Actie: redding van het Hans Sachs Haus [1922] van Alfred Fischer in Gelsenkirchen.
- Redding van de Scharoun-school in Marl. – Voorstel: Opgegeven kerken omzetten in openbare piazza’s! – Monumentenzorg en reflectie van de industriecultuur.
– Monumentenzorg en stadsontwikkeling. – Advisering van burgercomités [onder andere Heimaterde in Mülheim an der Ruhr, Stadtbad Krefeld] – Training van burgercomités [onder andere in Neukirchen-Vluyn, Gelsenkirchen, Duisburg-Walsum], vooral als lokale drijfveer tot stadsontwikkeling. Doel: eigen kaders tot stadsontwikkeling produceren.

Waar in hele land is te zien, dat meer kwaliteit in de stedenbouw en architectuur wordt doorgezet, daar participeren leden van de Werkbund.
Een boekenreeks van de Deutsche Werkbund NW is tot stand gekomen – met als motto: “Eingreifen und Mitgestalten”, uitgegeven door Roland Günter en Frank Münschke: de nieuwe kijk op de vergrijzing en de kansen van krimpende steden [2005] – “Das Quadrat” – een msueum in Bottrop voor de Bauhausmeester Josef Albers door Bernhard Küppers [in 2006] – Over de kansen van esthetische vorming in de kennismaatschappij [2007] – Heimat + Kultur. Tweemaal is meer dan eenmaal. De reis van Oberhausen naar de zuidturkse-middellandsezee Partner-stad Mersin [2007] – een pionierstuk: informatie over een partnerstad voor de bevolking.
In voorbereiding: Stefan Polónyi, bruggen. – Een arbeidsbiografie Karl Ganser – De Deutsche Werkbund – en zijn leden. Werkbund akademiereihe. Alle problemen van 1907 zijn ook vandaag de dag onze problemen. We werken eraan.

Roland Günter. Vertaling: Reinhold F. Bertlein DWB, Amsterdam


Zum Inhalt | Zur Hauptnavigation |